De kick van een triathlon

47b25e2a-36fe-4bb9-9c2e-f1c0cb04dd30

En dan sta je ineens in de Margriet. Volgens betrouwbare bron één van Nederlands grootste en oudste weekbladen. ‘Voor vrouwen van alle leeftijden’ zegt Wikipedia. In mijn beleving is, tot op de dag van vandaag, de Margriet een blad dat mijn tantes lazen (en misschien nog steeds lezen) toen ik jong was. Ik las liever de Viva. En later, toen ik wat meer te besteden had, de Cosmo. Mijn jongste dochter leest trouwens nu de Cosmo Girl. Het bestedingspatroon is mee geëvolueerd.

De Margriet dus. Een interview in de rubriek Happy & Healthy waarin ik vertel over over de kick van triathlon. Want dat geeft het mij nog steeds, een kick! Na mijn tweede sprint triathlon in het najaar, besloot ik ervoor te gaan. Coach Josta deed mij een mooi aanbod. Zij zou mij coachen door voor wekelijkse trainingsschema’s te zorgen, ik mocht deelnemen aan haar trainingen en we zouden toewerken naar de Ironman Olympische Afstand in Zürich in de zomer van 2019. Al snel werd het doel verlegd. Na Zürich komt Mallorca. Een halve triahtlon in het vooruitzicht vergt een serieuze aanpak!

De econmische crisis vond, en vindt, zich vooral plaats op mijn bankrekening want oh, wat kun je je verliezen in deze sport. Inschrijfgeld voor een wedsttijd loopt al gauw tegen de vijftig euro en voor een wat grotere wedstrijd al snel richting de tweehonderd euro. Dan is er nog de coaching, het trainen in een groep, de kleding (winterkleding blijkt voor rennen en fietsen toch ook wel handig), toch nog een nieuwe helm, een metertje voor op de fiets (ik weet nu wat RPM is dus dan wil ik dat wel bijhouden). En dan doe je een bikefit. Als absolute beginner kocht ik in het voorjaar een in mijn ogen prachtige racefiets. Ik vond het een wereldschokkend bedrag dat ik uitgaf, niet wetende dat sommige triathleten met gemak het drie of viervoudige uitgeven. Trots heb ik deze zomer wat tochtjes gemaakt op mijn Liz. Fietsen hebben namelijk een naam, net als auto’s. Ik moet zeggen dat ik het heel vermoeiend vond, die ritjes buiten. Ik weet het aan mijn ongetraindheid en daar zit ook best een grote kern van waarheid in. De bikefit dus. Voor de echte leken onder ons: dat is een meting van zo ongeveer alle onderdelen van je lichaam. Stukjes arm, stukjes, been, hele benen, romp, handen, totale lengte, etc wordt gemeten. Al die gegevens stopt men in een computer en daar rolt een fiets uit. met de perfecte maten! Volgens de bikefit dus, was ik redelijk in proportie. Wel erg klein, maar dat was geen nieuws. Voor mij althans. Mijn fiets mocht mee en werd ook gemeten. Helaas waren wij geen match, Liz en de computerfiets. Liz is te groot. Of ik te klein. het is maar net hoe je het bekijkt. De economische malaise duurt nog even voort, gezien het feit dat Liz inmiddels op internet in de uitverkoop is gedaan. Ik hoop dat Liz een mooi tweede thuis krijgt. En ik een passende nieuwe Liz.

7c871012-4ac7-4cdb-a12f-c9ac573ec709

Intussen kijk ik uit naar mijn trainingsweek op Lanzarote. Want ja, er is volop keuze in trainingsweken op prachtige eilanden waar de zon schijnt als wij hier dieper onder onze dekbedden duiken. Wie wil dat nu niet? Dus heb ik een volledig verzorgde week geboekt naar het trainingswalhalla voor triathleten. Zwembad voor de deur, zee in de verte, ruime asfaltwegen door de bergen en, dat stond niet in de flyer, altijd wind. Laat ik daar nu een bloedhekel aan hebben! Wind doet mij denken aan eindeloze fietsritjes naar school. Altijd wind tegen. Heen en terug. Op een tweedehands gifgroene fiets, Te groot. Toen al.  De fietskoffer (waar is de tijd dat je gewoon een kartonnen doos om je fiets deed?) is gehuurd, de paklijst en het trainingsschema kreeg ik per mail. Ik heb de bijlage nog niet geopend. Ik ben bang dat ‘relaxen’ niet in Excel past. Op mijn telefoon heb ik de weer app van Lanzarote al tevoorschijn getoverd. Warm is het zeker, dat scheelt.

Terwijl ik dit stukje tik aan de keukentafel zie ik in mijn ooghoek het aangeschafte whitebord staan. Keurig per week en per sport een schema. Wat ik welke dag moet doen, ik kan er (letterlijk) niet omheen. Ik zie, en weet, dat vandaag ik nog had moeten fietsen. Drie kwartier op de Tacx, binnen. Het is er niet van gekomen. Ik moest naar de Albert Heijn, de laatste Margrieten scoren! En daarna een blog schrijven, want er staat namelijk in een van de eerste zinnen dat ik ‘ oprichter’ ben van mijn blogjes. Dan kan ik vrouwelijk Nederland niet zonder laten zitten.

En waar is die kick dan, hoor ik je denken? Die kick van triathlon? Het kost tijd, het kost (heel veel) geld, je wordt er best heel moe van, je ‘moet’ bijna elke dag trainen. De kick komt vaak als je er niet aan denkt. Afgelopen zaterdag wilden mijn dochters mee naar de Watt bike training. Een soort spinning. Binnen knallen op een fiets. Denk type hometrainer uit de Wehkamp van vroeger. Ik waarschuwde dat er na het fietsen ook nog een duurloopje op het programma stond. Ik pakte een tas met kleding in en we fietsen in de vroege ochtend naar het sportcomplex. Drie kwartier later zag ik alleen nog maar verhitte hoofden en bezwete lichamen. We trokken onze loopkleding aan. ‘ Weten jullie het zeker?’  vroeg ik. ‘ We gaan nog drie kwartier lopen.’ We gingen op weg. In rustig tempo liepen we richting het water. De zon scheen en je hoorde alleen de hijgende ademhaling van ons groepje. De lucht was helder en blauw. Ik liep met mijn dochters samen, buiten. Ik was blij. De endorfines deden hun werk. Zo’n moment. Dat is de kick die traithlon heet. Voor mij niet alleen de wedstrijd, het neerzetten van een goede tijd. Op zaterdagmorgen met mijn dochters fietsen en rennen. Samen. Op weg naar Zürich. Op weg naar Mallorca. De reis ernaartoe is alles waard.

 

Powervrouw

IMG_2443

Een paar weken terug alweer postte mijn triathloncoach een bericht op Facebook: de ‘power woman van de week’. Mijn foto lachte mij tegemoet. Ik had hem haar zelf gestuurd. dat wel. Ik werd een beetje verlegen van haar verhaal erbij. Alleenstaande moeder met twee puberdochters…. spannende sportieve doelen voor het nieuwe jaar. Power woman. Het klinkt wel stoer.

Er zijn van die momenten dat ik mezelf ook zo voel. Net na een training, als de endorfines en adrenaline door mijn lijf gieren. Dan voel ik mij nog steeds om en nabij de 20. Net zoals mijn aardige TomTom app zegt. ‘ Uw fitness leeftijd is….(sterretjes) 20! Gefeliciteerd en ga zo door; je kunt je VOmax nog verbeteren.’ Tot voor kort had ik geen idee wat dat was, een VO max, maar sinds ik vorige maand een sporttest heb gedaan, weet ik dat het iets zegt over mijn conditie. Of zoiets. Die leeftijd daarentegen, die spreekt mij wel aan! Powervrouw. Als de wekker gaat en mijn trainingsschema zegt dat er een ‘ ochtendloopje’  op het programma staat, duik ik het liefst nog veel dieper weg in mijn warme dekbed. Met veel moeite krijg trek ik mijn hardloop kleding aan. Ik werk een beetje yoghurt of een banaan naar binnen. Trotseer de eerste kou bibberend. Als ik dan een beetje warm gelopen ben, dan voel ik mij stiekem ook wel een power woman. Stiekem.

Er zijn zelfs van die dagen dat alles zo voelt. Als ik ’s ochtends in alle vroegte ontbijtjes maak, mijn eerste mailtjes weet te beantwoorden en met mijn verse cappucino voor de files de auto in duik. Als ik op mijn werk nuttige dingen doe en ik ondertussen tijd vind om mijn meisjes succes te wensen met hun proefwerken. Als ik na het werk boodschappen doe, met mijn jas nog aan sta te koken en luister naar de verhalen van mijn dochters. Als ik de wasmachtine aan het werk zet, huiswerk overhoor en vervolgens op weg ga naar het zwembad om tot de late avond onderworpen te worden aan het strenge regime van mijn triathloncoach. Als ik tegen middernacht met natte, warrige haren weer onder mijn dekbed verdwijn. Dan voel ik mij een power woman. Stiekem.

Er is altijd een andere kant van de medaille.

Bijvoorbeeld die woensdag begin november. Na mijn halve marathon eind oktober verkeerde ik in hogere sferen. Ik schreef mij in voor talloze loopjes in de herfst en wintermaanden en dacht na over ‘de halve van Egmond’. Die woensdag dus. Voor mijn werkafspraak zou ik nog een uurtje kunnen rennen. Het was heerlijk weer dus vol goede moed begon ik. Al tijdens de eerste kilometers voelde ik een vreemd gevoel in mijn linker enkel. Powervrouwen geven niet zomaar op, dus liep ik door. Halverwege stopte ik toch even om een paar minuten te wandelen. De pijn werd niet minder, eerder erger. Toen ik aanzette om weer verder te lopen deed het helse pijn. Ik was net op het verste punt van mijn rondje, dus stoppen had geen zin. Dacht ik. Uiteindelijk kwam ik hinkend en strompelend thuis aan. Dit voelde niet goed! Direct de dichtsbijzijnde fysio gebeld. ik kon de volgende ochtend terecht. Inmiddels kon ik niet meer lopen en hinkelde het huis door. Vier trappen op en af waren geen pretje, powervrouw of niet. Na bezoek aan fysio, sportmasseur en sportarts zat ik thuis met een doos pijstillers en ontstekingsremmers. Rennen kon ik wel vergeten.

En dan is het herfst. Weg zon, weg stralende blauwe luchten. Grijs is niet mijn kleur. Nooit geweest ook. Het is donker als mijn wekker gaat en donker als ik thuis kom. Ik heb geen zin meer in gezonde salades en frisse bakjes kwark. Die zak M&M’s smeekt om opengemaakt te worden. De muffin’s bij de bakker kijken mij dringend aan. ‘Eet mij! Eet mij!’ lijken ze te roepen. Mijn zomerse sixpack verbergt zich langzaam maar zeker onder een warm dekentje.

Gelukkig is daar, in de winterse duisternis, mijn triathlon coach. Degene die mij powervrouw noemt. En zelf een powervrouw is! Met haar roedel van twee kleine kinderen, twee witte herders en een man leidt ze haar bedrijf en spoort ze mij een paar keer in de week aan om ‘ toch nog even dieper te gaan’. Tot het zweet letterlijk uit mijn ogen loopt.

Power woman. Soms wel, soms helemaal niet. Alleen is eerlijk gezegd ook best zwaar. Het heeft ook zo z’n voordelen (ik ben de baas en overleggen hoeft niet) maar kost ook bakken met energie. En eerlijk is eerlijk, ik had het liever samen gedaan. Je hebt het niet altijd voor het kiezen. Dus doe je je best. En soms een beetje beter dan je best. En dan is daar soms dat moment. Je loopt, je fietst of je zwemt en je voelt het! De flow, de cadans, de kracht of energie. Het maakt niet uit hoe je het noemt. Ik noem het triathlon!

95f9671f-80f4-4241-a670-f1c7d32c65c5

 

Doe maar een halfje…

IMG_1547.JPG

Twee dagen voor de zondag van mijn eerste halve marathon. Het woord alleen al, marathon, klonk mij een paar maanden geleden nog in de oren als iets van een andere planeet. Voor lange, dunne  mannen en vrouwen met benen als stokjes die al jaren niets anders doen dan rennen. Een soort Forrest Gump types. Ze lijken ook nooit moe te worden in mijn ogen. Ik kan mij het moment niet eens meer herinneren, nog niet zolang geleden, dat ik mjn laptop opende en de website van de Amsterdam marathon bekeek. Voor ik met mijn ogen kon knipperen had ik mezelf ingeschreven. Voor de halve, dat dan wel.

Eind augustus deed ik mee met de Ouderkerker triathlon. Het was spannend en heerlijk tegelijkertijd. Mijn eerst medaille was binnen en het lopen ging boven verwachting. Daarna, tijdens mijn vakantie in Spanje, probeerde ik in de verzengende hitte rondjes te lopen. Verder dan zes of zeven kilomer kwam ik niet. Terug in Nederland ging ik trouw naar mijn maandagavond loopclubje. Deze mannen en een enkele vrouw trainden al een tijdje voor de Dam tot Dam loop en voor de (halve) marathon. Ik liep altijd een beetje achteraan en besloot de daaropvolgende weken mij aan het opgelegde schema van drie keer per week trainen te houden.

 

Tot mijn grote verbazing maakte ik snel vorderingen. De duurloopjes werden langer en een uur lopen leek ineens korter. Af en toe kwam ik in die gekke gewaarwording van de  ‘runners high’ . Het lijkt dan of je voeten zweven over het asfalt en het lopen je geen enkele moeite kost. Tot mijn teleurstelling duurt het altijd een flinke tijd voordat het zover was en gaat het ook te snel naar mijn zin weer over. Niet geklaagd, ik weet nu wat het is! Totdat dus die dag kwam dat ik mij inschreef en mijn startnummer ontving: 337283. Ik start in het oranje vak, volgens de mailing, ergens in de buurt van het Olympisch Stadion.

 

Tot twee weken geleden leek het nog ver en trainde ik lekker verder. Af en toe een fietstochtje er bij en wat krachttraining. Toen kwam de boodschap: ‘ je moet nu afbouwen en veel rust nemen’. Aangezien ik de hele zomer bijna elke dag wel iets aan sport deed en een rustdagje bijna een uitzondering was, draide de wereld ineens om. Thuis komen en niets doen? Maximaal een half uurtje rustig lopen? Geen krachttraining, niet (te ver) fietsen… ik werd er nerveus van. Terwijl iedereen om mij heen vol vertrouwen was en is over mijn komende prestatie werd ik almaar nerveuzer. Ik voelde ineens overal pijntjes, liet mij uitgebreid masseren bij een ervaren sportmasseur (‘ nee, je mankeert niets, alle spieren voelen prima aan’ ) en at ik braaf mijn koolhydraten. ’s Avonds lag ik op de bank en vroeg ik mij af hoever 21 kilometer ook alweer was. Zeker twee uur achter elkaar rennen. Het leek mij ineens heel lang en heel ver…. Ik maakte mij zorgen over plotselinge plas aandrang en droomde zelfs over rijen Dixies die allemaal op slot waren. En nergens een bosje!

Op Facebook zag ik doorlopend berichtjes over mensen die ook meedoen. Nee, niet de halve. De hele, die is voor de echte helden!  Tenminste, dat maakt ik uit op de posts die ik las. En nu is het vrijdagavond, minder dan twee dagen voor de start. Ik heb net een klein half uurtje gelopen. Het ging voor mijn gevoel voor geen meter. Een berichtje op Strava (een app voor lopers, fietsers en zwemmers) zorgde voor enige opluchting. Blijkbaar is het normaal om je zo te voelen. Dat ‘ taperen’ (in normale mensentaal gewoon niet zoveel sporten en lekker veel rusten) geeft blijkbaar deze gevoelens. Misschien is het de fameuze generale repetitie?

Morgen ga ik mijn startnummer ophalen. Lekker op de fiets richting Olympisch Stadion en even de sfeer proeven van het evenement. Daarna ga ik mij bedwingen om het hele huis schoon te maken of kasten uit te ruimen. Stel je voor dat het in mijn rug schiet? Of dat ik bij het vouwen van de was in een kramp terecht kom? Of dat ik struikel over de vloermop? Nee, morgen is het met de beentjes omhoog en maar eens lekker binge-watchen. Dan weet ik eindelijk ook eens wat dàt betekent!

IMG_1407Zondag is de dag. Brunchen met pannenkoeken, op de fiets naar het stadion (is dat verstandig?) en dan lekker rennen. Genieten van het lopen in mijn stad. Genieten van al die mensen in het publiek. Genieten van het herfstzonnetje. Genieten dat ik gezond genoeg ben om mee te doen. Dat ga ik doen….Genieten met een grote G!

Wil je mij volgen? Je kunt de TCS Amsterdam marathon app downloaden en zoeken op startnummer of naam. Als je mij ziet, dan beloof ik dat ik een lach op mijn gezicht heb :-).

 

Run, Forrest, run!

blog 2

Het is een zinnetje waar ik af en toe aan denk als ik mijn rondje ren. Hardlopen. Een onderdeel van de triathlon waar ik inmiddels menig doorgewinterd triatleet stuk op heb zien gaan. En ook de finisch met een eindsprint heb zien halen, na slopende kilometers op de fiets.

Je ziet ze ook in drommen in het park achter mijn huis. Ze lopen bij mooi weer op zondagochtend nog net niet in de file. Joggen, rennen, hardlopen. Mijn buurman noemt het sjokken. ‘Gaat er nog iemand mee sjokken vanavond?’ appte hij tot een paar maanden geleden in onze What’s app groep ‘Senior Runners’. De naam doet al vermoeden waar het om gaat. Drie mannen op leeftijd en ik. Ook op leeftijd. Sinds ik ben gaan trainen voor triatlon’s is het verdacht stil in die hoek.

Ik ren en hou mijn tijd bij met mijn TomTom horloge. Tijdens het rennen lukt het mij niet om te kijken hoe hard ik ga. Iets met mijn ogen. Ja, die senior runners daar hoor ook ik bij. Maar goed. Thuis gekomen is het altijd fijn dat Tom de resultaten doorgeeft aan mijn telefoon en telefoon tom vervolgens Strava op de hoogte brengt. Ook alweer zo’n fijne app die laat zien wat je mede lotgenoten allemaal hebben gedaan deze dag en hoe hard, lang en vaak te trainen. Elke keer weer ben ik onder de indruk van het aantal kilometers dat ik voorbij zie komen. Gelukkig zijn de hoogste aantallen op de fiets!

Vroeger rende ik ook. In mijn allervroegste jeugd, toen ik fanatiek aan judo deed, kan ik mij de coopertest nog herinneren. Behalve op de mat tijdens de warming-up rende ik nooit. Die coopertest heeft mij nog lang weerhouden de loopschoenen weer aan te trekken. Ik droom soms nog over dat blauwe papiertje waar een dreigend getal op stond. De uitslag: matig. 12 minuten rennen op de sintelbaan. Ik deed liever een koprol op de judomat.

IMG_1139

Toen ik begin 20 was en het judo vaarwel gezegd had, rende ik met vriend en neef op zondagochtend vaak een stukje door de Zeeuwese duinen en over het strand. Van Dishoek naar Zoutelande. Geen idee dat dit plekje met de hoogste duin van Nederland ooit nog zo bekend zou worden. In die tijd hadden we nog geen sporthorloges en smartphones. laat staan apps waar je je tijden en afstanden op kon vergelijken. Ik had geen idee hoerver ik op die zondagen rende. Zwaar was het wel. En ver leek het altijd. Google Maps vertelt mij zojuist dat de afstand exact 4,7 kilometer bedraagt.

Een aantal vriendjes later rende ik in Amsterdam, dat inmiddels mijn woonplaats was, regelmatig een rondje Gaasperplas. Met man dit keer. We reden na het werk met de auto naar Amsterdam Zuidoost, parkeerden langs de plas en renden een rondje. Dit keer wist ik wel hoever het was. 4,86 kilometer. Internet had zijn intrede gedaan. Ik had afstandmeten.nl ontdekt! Onze werkgever had het idee opgevat om zijn medewerkers te sponsoren met t-shirts en trainingen voor de toen nog niet zo massale Dam tot Dam loop. Optimistisch schreven wij ons in. Man liep ook wel eens twèè rondjes Gaasperplas. Ik hield het liever bij één. Dat deden we wel twee tot drie keer per week.

10 Engelse mijl, omgerekend 16,09 kilometer. Van Amsterdam naar Zaandam. Ik kan mij de zondag in september nog goed herinneren. Ik sjokte, letterlijk met een grote groep door de IJ-tunnel. Zaandam leek onmetelijk ver weg. Ik had geen idee en geen verwachtingen. Als ik ergens maar de eindstreep haalde. Ergens wachtte de finish. Ik herinner mij de mensen en de muziek langs de route. De drinkposten en het juichen als er een groepje lopers voorbij kwam. Alhoewel mijn benen protesteerden, liep ik op wolkjes. De laatste kilometers haalde ik zelfs nog wat mensen in. De finish! Een medaille rijker ging ik trots naar huis. Niet wetende dat ik de eerstvolgende drie dagen nauwelijks kon lopen. Maar dat kon mij niets schelen. Heerlijke onwetendheid!

De kinderen kwamen. Met dikke buiken deed je toen hoogstens zwangerschapsgym en daarna babymassage. Rennen kwam niet meer in mijn woordenboek voor.

Door dikke pech die kanker heet en de jaren die ik alleen voor mijn kleine meisjes zorgde, kwam het niet van sporten. Ik was blij als ik mijn bed zag.

Ook kinderen worden groter. Bovendien viel er een foldertje in de brievenbus. ‘Beginnen met hardlopen? Sluit je aan bij onze beginnerscursus!’ riep het naar mij. Ik startte weer met rennen. Een avond per week kwam de oppas en ging ik op mijn oude Nikes en strakke broek naar mijn beginnersclubje. Doel was binnen een half jaar 10 kilometer. Dat betekende trainen. Twee, liefst drie keer per week. De groep was vooral ontzettend gezellig en dat hielp. Binnen een half jaar liep ik 10 kilometer binnen het uur.

De groep stopte en ik deed nog wat verwoedde pogingen mijn hardlopenschema aan te houden. Al snel kwam het slop er in. Na een jaar rende ik niet eens meer naar de tram.

Totdat een buurvrouw uit de beginnersgroep mij appte.’ Zullen we weer eens?’ Met Evi? Inmiddels was het tijdperk van de smartphones en apps volop aangebroken en Evi was een uiterst vriendelijke Vlaamse dame die een schema voor ons had bedacht. In 20 weken 5 kilometer rennen. Dat durfden wij wel aan. Dus ‘ hup met de beentjes’ gingen wij op pad.

Zelfs voor het werk begon, in het donker, renden wij onze minuten in het park. Het ging steeds beter en ik voelde mij goed. Buurvrouw haakte af en ik ging verder. Evi liet ik links liggen. Ik ging op pad met Tom en zag mijn inspanningen lonen. De vijf kilometer gingen steeds beter. Ik sloot mij aan bij mijn sjokkende buurmannen en merkte al snel dat ik hen eruit sjokte.

Het idee van de triathlon ontstond. Ineens was het daar. het idee werd een plan. Het plan werd een trainingsschema. Er kwam een doel. Een achtste triathlon. Zwemmen deed zijn intrede en een nieuwe fiets werd aangeschaft. Op 20 augustus 2018 deed ik mee aan de Ouderkerkseplas triathlon. Ik zwom, ik fietste en ik rende! Het rennen ging fijn. Een andere atlete riep zelfs’ Wat ga je hard!’ Het voelde alsof ik vleugels had.

Rennen, saai? Soms ja. Ik heb nog steeds moeite om te beginnen. Om de tijd en energie te vinden na een lange werkdag. Ik heb een uitdaging. En een doel! Ik wil, net als manlief, een halve marathon lopen en een kwart triathlon volbrengen. Gisteren rende ik mijn eerste lange afstandsloop sinds de dam tot dam loop 16 jaar geleden. Ik liep en ik lachte. Omdat ik lachte ging het lopen steeds beter. Ik zette in op een uur. Het werd anderhalf uur. ‘Ren, Cynthia ren’ schoot het door mijn hoofd. Een glimlach staat in mijn gezicht gegroefd.

Image-1 kopie

I’m not a girl, I am a triathlete!

ef24b043-7529-4699-8f3f-fca4dc1497d7.jpg

Sinds een tijdje volg ik op social media een aantal nieuwe pagina’s. Ze gaan over zwemmen, lopen en fietsen. Triathlon dus. Het virus. Er bestaat geen vaccinatie voor en is zeer besmettelijk. Gelukkig levert deze epidemie voornamelijk positieve ervaringen op. Complete blogs, trainingsschema’s, ervaringen, tips en truces passeren hier de revue. Type betweter (‘dus, weet je dan niet dat…’), type onervaren (‘ wat kan ik beter doen, ik heb zelf geen idee…’), type fanatiekeling (‘vandaag rustig aan gedaan, 4 kilometer gezwommen, daarna nog even 160 kilometer gefietst en straks nog even een klein stukje intervaltraining van een uur of wat…’ ), type oudgediende (‘ na mijn 33ste triathlon twijfel ik of ik in mijn age-groep…’), type expert (‘ als je een OD doet en op de LD heb je in de T-zone bedacht dat je gestayerd hebt…’) en het type vrouw. Nu is dit laatste type toch wel een geval apart, begrijp ik inmiddels van mensen die het kunnen weten.

Goed, vrouwen en triathlon. Ik hou het bij mezelf. Vrouw, 49 jaar en nerveus als een puber op haar eerste schoolfeestje. Dagen ervoor las ik alles wat los en vast zat over je voorbereiden op een triathlon. Nu was de mijne een achtste (wat in mijn oren een beetje zielig klinkt, de naam sprint triathlon klinkt toch iets stoerder) en lekker dichtbij huis.

De week ervoor samen met mijn (vrouwelijke) trainingsmaatje het gebied verkend en ook maar gelijk even alle afstanden gezwommen, gefietst en gerend. Om toch maar zeker te weten dat we geen flater zouden slaan. Want ach, wij vrouwen kiezen voor zeker…  in elk geval deze twee! Dat zat dus wel goed. Ik telde de dagen af. Wanneer doe ik nu nog iets aan trainen? Want, las ik ergens, de laatste week moet je ‘ taperen’. Dat heeft niets met sporttape te maken leerde ik snel. Het is gewoon een moeilijk woord voor niks doen. Rusten dus. Best lastig als je werkt en een gezin runt, dus nam ik aan dat ik vooral niet moest trainen. Intussen werd mijn buik onrustig. Niet handig, wan toespelende darmen zijn de ergste vijand van een triatleet, geloof mij maar. En zelfs op een prut afstandje van vijf kilometer wil je niet…ik in geen geval!

Gelukkig was daar altijd nog mijn partner in crime die ook haar allereerste ging doen. Elke dag appte we elkaar talloze keren: ‘ wat doe jij vandaag?’ Ga je nog een rondje fietsen? Zullen we vanavond nog zwemmen? Komt er iemand kijken? Hoe gaan we er heen?’ Gedeelde smart is halve smart, zullen we maar zeggen.

Tot de vooravond van de ‘ grote race’ . Fiets poetsen, ketting smeren… tot mijn grote schaamte had ik nooit meer gedaan dan een doekje over het frame halen en wat druppeltjes uit een flesje van de lokale fietsenboer over mijn ketting laten vallen. Beetje draaien aan de trappers. Fiets is wedstrijd klaar! Ik dwong de visoenen van lekke banden uit mijn hoofd. De laatste keer dat ik daar iets mee gedaan had was in de tijd van het teiltje water met een druppeltje Dreft. Het doosje Simpson lag vast nog ergens inde schuur. helaas doe je daar tegenwoordig vrij weinig meer mee. Goed, bidons met isotone spul klaar, sportdrankje klaar en de checklist nalopen. Wetsuit, helm, schoenen, veiligheidsspelden… eh veiligheidsspelden? Geen idee wat ik zou moeten spelden maar een doos vol kon vast geen kwaad. Keurig op ‘ taper tijd’ mijn bed in, lees half elf ’s avonds en ogen dicht. Rusten is het credo! Helaas wilden mijn hersenen anders. Na wilde dromen over zwakke spieren en zwoegende ademhaling waarin ijzersterke triatleten mij lachen voorbij zwommen, fietsten en renden viel ik in een onrustige slaap.

Shit, vergeten de mail van de organisatie te lezen. Snel mijn bed uit en tot mijn schrik de enorme hoeveelheid regels, voorschriften en parkeermogelijkheden in mijn hoofd prenten. Gelukkig overviel de slaap mij snel.

Zaterdagochtend. Havermout ontbijt. Kinderen wekken. ‘ Ik zie jullie aan de finish, niet eerder komen kijken hoor, daar word ik nerveus van en zink ik!’ Mijn begripvolle meiden knikten slaperig. ‘ Ja, mam, dag mam, succes mam, je kan het mam.’

Mijn maatje D. wordt gebracht door haar vriend in haar Mini, fiets achterin gevouwen. Vriendlief heeft wijselijk besloten thuis het resultaat af te wachten. D. en ik proppen onze fietsen in mijn gezinsauto, tassen er bij en reizen af. Een kwartier verder rijden we het parkeerterrein op.  Lekker rustig nog. Wolken pakken zich samen en het waait aardig. Wind, mijn vijand op de fiets. Met mijn 49 kilo schoon aan de haak blaas je mij met gemak een stukje achteruit. Eensgezind besluiten we ons te laten registreren. gelukkig iets kleiner van opzet dan de Ironsman’s die ik inmiddels gezien heb in Maastricht, Luxemburg en Zurich. Een vriendelijke mevrouw bekijkt onze rijbewijzen en geeft ons een envelop. Uit mijn ooghoek zie ik een roodtruck met verse koffie en muffins. Lekker! Eerst staat ons het belangrijke werk te wachten. Fietsen uitladen en op weg naar de wisselzone. Een alweer vriendelijke meneer in een geel hesje houdt ons tegen. Waar zijn de stickers? ‘ In de enveloppen!’ Vol trots tonen wij hem de witte envelop en vertellen hem dat dit ‘ onze eerste keer’ is. Hij glimlacht. ‘Voor je de wisselzone ingaat moet je alle stickers op de juiste plekken geplakt hebben, vertelt hij ons. En geduldig plakt hij samen met de stickers op helm en aan zadelpen. Weer wat geleerd. Wat nerveus lachend kijken we elkaar aan. Onze helmen zijn in orde en de fietsen ook. Gelukkig, ze zijn pas drie maanden oud!

De wisselzone. 410 is redelijk snel te vinden. Nu goed nadenken, derde rij, vlakbij binnenkomst.  We leggen onze spullen klaar en checken bij elkaar: fietsschoenen, loopschoenen, sokken, helm, zonnebril (hmm wolken). Een ervaren en alweer aardige meneer helpt ons de startnummers bevestigen. Een ietwat chagrijnige mede-triathlete wijst zuchtend hoe onze chips aan onze enkels bevestigd moeten worden. Zenuwen, vast!

IMG_0010

We zijn er klaar voor! We besluiten in te zwemmen, professioneel als we zijn. Na een paar slagen begint de briefing. Ik sluip naar voren en luister naar de aanwijzingen. Twee keer heen en weer zwemmen, vier rondjes zwemmen en eentje lopen. Dat moet ik kunnen onthouden. Wijselijk sluiten we achteraan het deelnemersveld aan. D. vraagt aan zo ongeveer iedereen ‘ Is dit ook jouw eerste?’. In de hoop dat er meer lotgenoten zijn. Het startschot klinkt. Ik loop op mijn gemak achteraan het water in. Voorzichtig begin ik aan mijn eerste slagen. De verhalen worden nu waarheid. Ik bevind mij in een levende wasmachine vol armen en benen. Ondanks mijn goede voornemen lukt het mij niet in rustig vaarwater (of beter, zwemwater) te komen. Voor mij en naast mij schoolslag zwemmende atleten. Mijn nieuw verworden borstcrawl helpt mij niet in de inhaalrace. Ik besluit stug mijn eigen tempo te zwemmen. Vooral navigeren. Tijdens de trainingen zwem ik meestal twee keer de afstanden. Kijken is niet mijn sterkste punt. De armen en benen zwemmen vrolijk ploeterend met mij mee. Het eerste rondje zit erop. Het stukje strand sjok ik door. Het tweede rondje. Dat gaat al en stuk beter. Uit het water hoor ik mijn naam roepen. Ik kijk maar zie niks. Ren naar de wisselzone, trek mijn wetsuit uit en kijk om naar D. Nog niet te zien. Zij fietst een stuk sneller dan ik, dus haalt mij vast in. Schoenen aan, helm op. Ik weet zowaar in een keer de sluiting te vinden. Op naar het balkje. Ik stap op mijn gemakje oude fiets. Dat met die elastieken en rennend erop springen is voor later. Nu eerst zitten en trappen. Onderweg halen de meest prachtige fietsen met hun eigenaren mij in zoevend tempo in. Ik laat me er niet door van de wijs brengen. ‘Ooit doe ik dat bij een beginneling’, denk ik vrolijk. Ik buig mij zo diep mogelijk over mijn racestuur. Het gaat lekker. Ik begin bijna te zingen! Af en toe roept een enthousiaste toeschouwer mij iets toe. Ik lach vrolijk terug. Drie rondjes gefietst, twee keer langs de transitiezone gekomen. Zo heet het punt waar ik van het parcours af moet na vier ronden. Wat, twee keer? Of drie? Maar waar begint de ronde dan? Ben ik nu al aan mijn vierde rondje? Of toch drie? Een lichte paniek overvalt mij. ‘Sufferd, hoe moeilijk is dit nu. Je kunt toch wel tot vier tellen?’ schiet het door mijn hoofd. Het laatste stuk breekt aan. Ik twijfel nog steeds. Als je een ronde te weinig fiets, is er geen medaille. Mijn Tom Tom horloge ben ik vergeten aan te zetten. Dat helpt ook niet. Ik rem af. ‘ Ik ben de tel kwijt!’ riep ik vertwijfelt naar een vrijwilligster. Die wijst mij lachend naar de wisselzone. ‘Ga daar maar heen, komt vast goed’, roept ze terug. Ik hobbel verder en stap keurig af voor de balk. Met mijn hand aan mijn zadel ren ik als een geoefend atleet de wisselzone in. Waar is nummer 410? Tellen is mijn ding niet, zeg maar. Een deelneemster wijst mijn nummer aan. ‘ Krijg ik straks wel de sportiviteitsprijs?’ roept ze mij na. ‘Tuurlijk’, denk ik. Als ik mijn medaille maar krijg. Ik ren het paadje af. Ik loop alleen en direct in een lekker tempo. Geen zwabberbenen. Het eerste stuk hal ik direct wat lopers in. Het gaat heerlijk. Na anderhalve kilometer sla ik het energiedrankje af. Energie heb ik genoeg! Ik zweef! Ik ren om de plas, ondertussen kijkend naar de finish. Over de steiger straks. Een beetje heroïek kan geen kwaad. Ik ren nog wat mensen voorbij. Eentje roep’ Wat ga jij hard!’ Zo voelt het ook. De laatste meters op de steiger. Ik geniet. De endorfines gieren in het rond. Nog een paar meter. Ik ren in de armen van vrijwilligster E., die de medailles uitreikt en ik ken van mijn triathlon cursus. ‘ Ik had je nog niet verwacht!’ roept ze.Ik lach en kijk en zie het scorebord. Een uur en 31 minuten! Een kwartier sneller dan verwacht. Ik mocht van mezelf niet op de tijd letten. Dat heb ik onderweg ook geen moment gedaan. Maar nu ik hem zo zien staan, daar op dat bord. Ik wacht op D. en film haar aankomst. Zij straalt minstens zoals ik. ‘Wat is dit leuk!’ roept ze telkens weer. Trots poseren we met onze medailles.32150c07-ea79-437f-b4c8-ea3be721f759

Bij de wisselzone krijgen we een dikke knuffel van de vrijwilliger die onze stickers mee hielp plakken. ‘ Ik ben trots op jullie’ zegt hij.

Blij rijden we naar huis. Nu weet ik het zeker. I’m not a girl, I am a triatleet!

93CF891C-5CFA-4376-AE43-232A9E5E8BF7

 

 

 

 

Het virus dat Ironman heet

IMG_2392

Ik was er bij. Als toeschouwer weliswaar maar ik was daar. 2000 deelnemers, 1,9 kilometer zwemmen, 90 kilometer fietsen en 20 kilometer rennen. Een halve triatlon, maar geen gewone. Het is de Ironman!

Drie jaar geleden wist ik van het bestaan niet af. Tijdens een weekendje Maastricht belanden we, per ongeluk, in een spektakel. We wandelden een rondje Sint Pietersberg en zagen mensen fietsen en hardlopen. Afgetrande, verbeten gezichten. Het parcours liep dwars door onze wandelroute. Of onze wandelroute liep dwars door hun parcours; dat was mij onduidelijk. Er hing een feeststemming. Bij het witte sprookjeskasteel aan de Maas van André Rieu klonk een Weense Wals. In zijn achtertuin had André de luidssprekers op volle sterkte staam. Zijn eigen muziek moest de lopers aanmoedigen. Een rode loper aan zijn achtertuin maakte het plaatje compleet. Wij keken er verwonderd naar.

Terug in de stad aten we een hapje. Na het eten zagen we nog steeds mensen met rugnummers voorbij komen. Inmiddels waren de gezichten verwrongen en was het rennen lopen geworden. Soms niet meer dan strompelen. Het bleken de laatste deelnemers te zijn van de Ironman Maastricht. Ik vroeg mij stiekem of ze wel helemaal lekker waren. Zo zag het er namelijk niet uit.

Een kleine twee jaar later stond ik in Luxemburg te kijken naar de opbouw van het circus dat Ironman heet. Inmiddels was mijn kennisniveau op het gebied van triathlons gegroeid. Zelfs meer dan dat. Een paar maanden geleden begonnen met zwemmen, een racefiets gekocht en aan het trainen met een echte triathlon coach. Ik kende zelfs wat mensen die èchte triathlons deden. Zelfs Ironmans.

Wat bezielt een normaal mens om mee te doen aan een Ironman? Ik zet het op een rijtje dat zich in mijn eigen hoofd ontspon:

  1. De Ironman is een Amerikaans en dus goed doordacht marketing concept.
  2. De mensen die er werken zien eruit als de Amerikaans geworden droom. Goedlachs, sterk, een vlotte babbel en uitermate strak georganiseerd.
  3. De Ironman geeft een familiegevoel waar je bij wilt horen. Hoe ze dat voor elkaar krijgen? Ze zijn ijzersterk in het verkopen van een droom, ook voor de ‘ gewone ‘ man/ vrouw. Iedereen kan triatleet worden! Ook jij!
  4. Als je wint, krijg je prijzen. De ultieme prijs is de ‘ goldcard’  voor deelname aan een Worldchampionship. Dat is niet voor iederen weggelegd. Dus hoor je tot de winnaars, dan mag je gaan. Wel nadat je direct na je medaille in ontvangst genomen hebt je creditcard trekt en gemiddeld zo’n 700,- betaald voor je je ‘ gewonnen’  deelname. Wie zegt dat endorfines niet werken? Zij hebben het door!
  5. Er is merchandise met babykleding voor de aanstormende triatleet, huishoudspullen voor moeders die zonen en dochters aanmoedigen, shirts met een ‘ hall of fame’ waar je als deelnemer je eigen (!) naam in priegelschrift kunt terugvinden, petjes, sokken, mokken, tassen en letterlijk voor ieder wat wils. Als je thuis met een Ironman tas/shirt/pet lopt zal elke tri-sporter je vol bewondering aankijken. Je hebt een Ironman gedaan!
  6. Buiten de Ironman wedstijden heb je ook nog de Ironkids (voor ambitieauze kinderen of hun minstens zo ambitieuze ouders) en de Irongirl (voor meisjes en vrouwen die het stiekem wel leuk vinden om een stukje te rennen maar waarvoor een triathlon nog iets teveel uitdaging is). Zo is de familie compleet.

Nu denk ik van mijzelf altijd dat ik ongevoelig ben voor zo’n commercieel circus.

Eerlijk? Ik zag de opbouw van de routes, de wisselzones, de zwemstart en de finish met de Ironman boog. Ik was bij de briefing, zag de filmpjes van winnaars, hoorde Mike, de Ironman regelneef met zijn grappen en serieuze ondertoon. Ik zag de nieuwelingen met gespannen gezichten. De ervaren atleten die elkaar net iets minder gespannen begroeten als oude vrienden. Ik reed een stukje van de route op mijn racefiets met een echte pro (die de volgende dag in de top 10 belande!). Poseerde zelfs bij een bordje met ‘ Ironman 70.3 Luxembourg’, zag dikke, dunne, jonge en oude mensen met hun deelmers polsbandje rondlopen. De atleten met hun Ironman rugzak, gekregen bij de registratie alsof het een goodiebag was. Met die tas en het polsbandje groette je elkaar. Je hoorde erbij, bij de familie. Met ats en polsbandje deed je mee aan 1,9 kilometer zwemmen in het stromende water van de Moezel, je fietste 90 kilometer in de Luxemburgse heuvels en tot slot rende je nog 20 kilometer heen en weer langs de rivier.

Op de dag zelf heb ik met spanning staan kijken bij de start van het zwemmen en bij de wisselzone. Ik heb langs de route gestaan bij het fietsen en wildvreemde mensen aangemoedigd. Daarna bij het lopen deelnemers een hart onder de riem gestoken en ze soms zelfs weer laten lachen toen ze niet meer konden. Samen met duizenden andere toeschouwers. familie, vrienden, toevallige voorbijgangers en toeristen.

Het was te laat. Het virus was mijn lichaam ingeslopen. Ik merkte het al toen ik er stond. Ik wilde ook. Ik wilde erbij horen. Ik wilde de uitdaging aangaan. Ooit ga ik meedoen. Dan zit ik bij de briefing als deelnemer. Krijg ik een tas en een polsbandje en groet ik de andere familieleden op straat.

Thuis gekomen stond mijn besluit vast. Ik ben gaan trainen met een echt schema. Ik ben vastbesloten goed te leren zwemmen. Ik volg trouw mijn intervaltraining voor het harlopen en fiets minstens twee keer per week. Bovendien doe ik krachttraining omdat ik vind dat ik sterk moet worden. De endorfines gieren in het rond. Afgelopen week heb ik het gedaan. Ik heb mezelf ingeschreven. Ha, nee, niet voor een Ironman. Gelukkig heb ik ondanks het virus nog wel wat gezond verstand. Ik doe mee aan de achtste triathlon Ouderkerkseplas op 18 augustus 2018!

Yes I do!
Yes I can!

 

 

Ik worstel en kom boven

1d138a61-ed33-4bfe-aa9b-18ad4f15a46b

Ik ben op Zeeuwse grond geboren. In het ziekenhuis van Vlissingen, hemelsbreed ongeveer 500 meter van de zee. Zwemmen leerde ik al vroeg.  Mijn A en B-diploma werden al jong op mijn zwembroekje genaaid. Rood en groen, als ik het mij goed herinner.

Schoolzwemmen was er ook. Met de bus van school naar het zwembad. In mijn genoegen gegrift staat de badmeester. Smetteloos witte short en bijpassende polo, zwarte baard en streng gezicht. Het wapen in zijn hand: een lange stok met aan het eind een vervaarlijk uitziende haak. In mijn ogen een martelwerktuig voor angstige kinderen die oog in oog met de haak spontaan alles vergaten wat ze ooit geleerd hadden. Na de zwemles het zwembad uit, de kleedkamer in. Waar ik mij uit mijn natte badpak hees en tot mijn schrik tot de ontdekking kwam dat ik mijn ondergoed vergeten was. Jeugdtrauma’s zitten in een klein hoekje.

Mijn verdere leven heb ik het water vooral gezien als iets waar je op kan dobberen, in kan pootje baden, thee van kan zetten en op vakantie in een warm land eventueel in kunt snorkelen. Totdat ik bedacht dat ik weleens mee zou kunnen doen aan een triatlon. En daar hoort zwemmen bij. In de dagen dat ik mijn A en B-diploma haalde was borstcrawl nog iets voor pro’s en dat heb ik dan ook nooit geleerd. Het idee om met mijn (letterlijke) schoolslag een triatlon te doen, daar ben ik dan net eventjes te ambitieus voor. Gelukkig zit in mijn triatlon cursus voor beginners ook het onderdeel ‘open water’ zwemmen.

Afgelopen maandagavond verzamelde ons groepje zich op afgesproken plek bij het water. De luchttemperatuur was 18 graden, het water vast veel kouder.  Het zag er uit zoals vanouds: bruin. Er waaide een stevig briesje. Hagelnieuwe tri-suit aan, wetsuit erover heen, badmuts op, oordoppen, zwembril. Aan mijn outfit kon het niet liggen. De dapperen onder ons sprongen het water in. Ik liet mij voorzichtig van de steiger glijden met iets tussen angst en vrees op mijn gezicht. Onze doorgewinterde triatlon coach spoorde ons aan om even ‘ op te warmen en naar de dichtstbijzijnde boei te zwemmen’. Al gauw merkte ik dat mijn vijf eerdere zwemlessen in het warme zwembad letterlijk naar de bodem van mijn geheugen waren gezonken. In mijn B-diploma schoolslag zwom ik braaf naar de boei en terug, onderweg kijken naar maaiende armen en flitsende hoofden in en onder water. Mijn enige troost was dat er nog een paar medecursisten waren die het zwemmen nog niet perfect beheersten. Ik was niet alleen.

Vol goede moed stak ik na een paar minuten mijn hoofd in het uitzichtloze water. Goed nadenken: als een torpedo door het water, horizontaal, niet overdrijven met je benen, eerst de ene arm en dan pas de volgende arm, romp recht houden, core stabiliteit, ogen en dus hoofd naar beneden gericht, arm in een nette hoek het water in en o ja! Ademen. Hoestend en proesten kwam ik na vier slagen weer boven water. Ik liet het idee snel varen dat ik ook werkelijk een stuk vooruit gekomen was. Want naast alle zaken die door mijn hoofd schoten moet je in het open water ook nog koers weten te houden. Navigeren dus. Onze coach deed moeiteloos voor hoe je dat moet doen en vooral hoe niet. Inmiddels hield ik mij drijvens op mijn oranje boei voor dat kou een emotie is. En emoties kun je uitschakelen is mij ooit verteld. Ik kan je verzekeren: dat is een leugen.  Elke minuut een beetje meer bibberend vroeg ik mij af hoe ik in hemelsnaam ooit een stuk zou kunnen zwemmen, adem halen en in de juiste richting blijven gaan. Een triatlon leek ineens mijlen ver weg.

Nog een poging. Ik gleed onder water, bewoog mijn armen in een voor mijn gevoel op een borstcrawl lijkende slag, blies uit onder water en nam een teug lucht. Ik had ergens het idee dat het er nog best wel aardig op begon te lijken. Dapper zwom ik nog wat meters achter mijn groep aan, af en toe terugvallend in mijn vertrouwde schoolslag. Oranje badmutsen gleden door het water voor mij. Dromend zag ik mijzelf al tijdens een Ironman door het water scheren. Kuiltjes maken in het water, ademen in het kuiltje. 500 meter, 1000 meter. Een brakke slok water verstoorde mijn illusie. Het wedstrijdje snel naar de steiger en wie het eerste zijn wetsuit uit heeft ging aan mij voorbij. Bibberend hees ik mij het hout op en klappertandend drukte ik mijn warme handdoek tegen mijn lijf. Wetsuit uit, tri-suit uit, joggingbroek aan en met een lachend ‘ tot volgende week, dan gaan we zwemmen en fietsen’  nam ik afscheid. Thuis gekomen ontdekte ik dat mijn jongste dochter onder de douche stond. Ik rukte haar er nog net niet onder vandaan en pakte haar badjas. ‘ Ik moet douchen, nu!’ riep ik haar toe. Haar gezicht sprak boekdelen, maar dat kon mij even niets schelen. Na de hete douche keek ik op mijn telefoon. Foto’s van het zwemmen! En daar waar ik dacht toch een paar mooie borstcrawl slagen gedaan te hebben zag ik mezelf terug: hoofd ver boven het water, happend naar adem alsof het mijn laatste teug was. Ik barstte in lachen uit. Dit was letterlijk het plaatje dat past bij mijn Zeeuwse roots: ik worstel en kom boven.

Volgende week week ga ik er gewoon weer voor. En dan weer en dan weer. Ik geef niet op. Borstcrawl, ik zal je leren! Ironman, wees gewaarschuwd. Ik kom er aan!

Volgende blogs: Ironman Luxembourg 2018 en les 5 van mijn triatlon cursus (zwemmen en fietsen).